Voorbeeldvragen theorie-examen

Om een indruk te krijgen van de multiple-choice vragen treft u hieronder per eindterm één voorbeeldvraag aan. Bij deze vragen is het goede antwoord vermeld alsmede de vindplaats in de literatuur. Wilt u het examen goed maken dan is het noodzakelijk de aanbevolen literatuur grondig te bestuderen.

Eindterm 1 (mediation):

Van de mediator wordt verwacht dat deze zich neutraal en onpartijdig opstelt. Welke van de volgende uitspraken is juist?

  1. Neutraliteit en onpartijdigheid zijn identieke begrippen en kunnen door elkaar heen worden gebruikt. 
  2. De eis dat een mediator zich neutraal moet opstellen houdt onder meer in dat deze dus nooit en te nimmer opening van zaken mag geven over zijn eigen eventuele betrokkenheid bij het conflict. 
  3. 'Partijdigheid' betekent dat de mediator blijk geeft van een voorkeur of een vooringenomenheid ten opzichte van een van de deelnemers aan een mediation.
  4. Het begrip 'meervoudige partijdigheid' heeft alleen betrekking op situaties waar meer dan twee partijen bij een mediation zijn betrokken. 

Goede antwoord: c (zie Mediation in praktijk, 4e/e, p. 21-26) 


Eindterm 2 (conflicttheorie):

Er bestaan verschillende soorten conflicten. Welke van de onderstaande beweringen is juist?

  1. Doordat relationele conflicten circulair van aard zijn, is de precieze oorzaak van de slecht lopende communicatie doorgaans eenvoudig vast te stellen.
  2. Waardeconflicten zijn ongeschikt voor mediation, omdat over waarden niet is te onderhandelen en geen compromissen zijn te sluiten. 
  3. Omdat waarden nauw verbonden zijn met de eigen identiteit, is het voor conflictpartijen moeilijk de waarden van de andere partij te begrijpen en te erkennen. 
  4. Wanneer een conflict lang doorziekt en het betrekkingsniveau een belangrijke rol gaat spelen, worden mogelijk machtsconflicten steeds minder belangrijk.

Goede antwoord: c (zie Handboek Mediation, 4e/e, p. 47 - 50)

Eindterm 3 (onderhandelingstheorie):

Voor onderhandelen gelden een aantal karakteristieke kenmerken. Welke van de onderstaande beweringen is juist?

  1. Bij onderhandelen hebben de partijen strijdige belangen maar zijn ook van elkaar afhankelijk om deze belangen te kunnen realiseren. 
  2. Distributief onderhandelen moet worden beschouwd als een fase in een onderhandelingsproces en niet als een afzonderlijke manier van onderhandelen. 
  3. Onderhandelen kan als methode worden toegepast bij alle soorten conflicten en kan dus worden beschouwd als een synoniem voor conflicthantering.
  4. Er kan worden onderhandeld over concrete, tastbare belangenconflicten, zoals financiële kwesties, maar ook om minder tastbare kwesties, zoals waarden en emoties.

Goede antwoord: a (zie Handboek Mediation, 4e/e, p. 65 - 87)


Eindterm 4 (beroepsvaardigheden):

Een van de belangrijkste taken van een mediator is om de deelnemers te assisteren om de conflictkwesties constructief te behandelen. Welke van de onderstaande beweringen over hoe je dat doel het beste kunt bereiken is juist?

  1. Om duidelijk te krijgen wat de eigenlijke conflictkwesties zijn dient de mediator zich te beperken tot informatieve vragen naar feiten en in zijn samenvattingen de persoonlijke gevoeligheden weg te laten.
  2. Om een tijdige oplossing te bevorderen mag de mediator best bepaalde oplossingen suggereren, mits hij deze verpakt in suggestieve vragen. 
  3. Wanneer een deelnemer aarzelt om met een bepaald voorstel mee te gaan, moet dat voor de mediator een signaal zijn dat hij niet hard genoeg heeft getracht om hem daarvan te overtuigen. 
  4. Om de deelnemers duidelijkheid te verschaffen over welke conflictkwesties nog een beslissing genomen moet worden, dient de mediator af en toe een overzicht te geven van de belangrijkste geschilpunten.

Goede antwoord: d (zie Mediation in praktijk, 4e/e, p. 202 - 226)


Eindterm 5 (ethiek en beroepsregels):


Is de MfN Mediator verplicht een schriftelijke mediationovereenkomst met partijen te sluiten (in geval van een mediation in een professionele context)?

a. Ja, deze verplichting is vastgelegd in het MfN Reglement.

b. Nee, een dergelijke verplichting strookt niet met de vrijblijvendheid als kenmerk van mediation.

c. Ja, anders zijn partijen en de mediator niet gehouden aan de geheimhouding.

d. Nee, de relatie tussen de mediator en partijen is immers geen contractuele relatie.

Goede antwoord: a (zie Handboek p.258)


Eindterm 6 (juridische aspecten): 

Mag in een vaststellingsovereenkomst worden afgeweken van dwingend recht? Welke van de onderstaande beweringen is juist?

  1. De mogelijkheid om in bijzondere gevallen in de vaststellingsovereenkomst af te wijken van dwingend recht geldt nooit voor geschillen op vermogensrechtelijk gebied. 
  2. Een compromis in een vaststellingsovereenkomst dat strijdig is met dwingend recht is nietig, ook al zijn de partijen in redelijkheid ervan uitgegaan dat zij niet in strijd daarmee handelden. 
  3. Wanneer ten tijde van de vaststellingsovereenkomst de wet voor meerdere uitleg vatbaar was en later (bijvoorbeeld door nieuwe rechtspraak) blijkt dat het compromis in strijd is met de wet, dan zijn de gemaakte afspraken alsnog nietig.
  4. Wanneer de partijen in een vaststellingsovereenkomst doelbewust afwijken van dwingend recht, zijn deze afspraken nietig.

Goede antwoord: d (zie Juridische Aspecten van Mediation, 3e/e, p. 28; 116 - 117)

 

Intop Zorgsector - Examenbureau Mediationtoets - Noorderweg 60 - 1221 AB Hilversum